Geschiedenis van de afdeling Orthopedie van het Academisch Ziekenhuis bij de Universiteit van Amsterdam
Iwan Hololtcheff, Ernst Raaymakers, Sjoerd Stufkens en Daniel Haverkamp.
Ordinariaat prof. dr. Otto Verbeek
Patiënten met een orthopedische afwijking werden in het Wilhelminagasthuis in de 50-er jaren van de vorige eeuw behandeld op de afdeling Heelkunde. In 1952 vertrok Dr Otto Verbeek naar Amsterdam, waar hij hoofd werd van de Orthopaedische afdeling, weliswaar nog ondergebracht bij de chirurgische universiteitskliniek van prof. I.Boerema. Zijn plaats in Eindhoven werd ingenomen door Dr. G.M. San Giorgi, die later de eerste hoogleraar in Nederland zou worden in Nijmegen [1962]. Hoewel Boerema en Verbeek elkaar uit hun studietijd kenden en Boerema al de nodige publicaties over fractuurgenezing had geplaatst was de laatste van mening dat Orthopedie een onderdeel moest blijven van de Heelkunde. Derhalve duurde het lang voordat er leeropdrachten werden uitgedeeld! Met name in de vorm van lectoraten. Voor Verbeek kwam dat lectoraat in 1963.
Inmiddels werd in nauwe samenwerking met staflid Dr.Kingma [later hoogleraar in Groningen],
die over uitzonderlijke didactische kwaliteiten beschikte, onderwezen in vooral biologische
regeneratie van het steun- en bewegingsapparaat. De “bottenbank” werd opgericht. De homogene botspaan werd gebruikt bij de behandeling van scoliose [dissertatie v.d.Eyken], pseudartrose en
defect-pseudartrose. Tevens ontstond er een nauwe samenwerking met afdeling Tandheelkunde [opvullen van cystes, de toothpositioner bij gebruik van Milwaukee brace]. Zo ook met de hemofilie-kliniek van prof van Creveld. Spondylitis tuberculosa, spasticiteit en poliomyelitis waren in die tijd nog veel voorkomende ziektebeelden die chirurgisch ingrijpen noodzakelijk maakten.
In 1967 volgde dan uiteindelijk de benoeming van Verbeek tot hoogleraar, het tweede
ordinariaat in Nederland. Hij achtte de biologische problemen bij de botgenezing belangrijker dan de mechanische, waarop de Zwitserse AO (Arbeitsgemeinschaft für Osteosynthesefragen) sterk de nadruk legde. Deze laatste organiseerde vele cursussen, tijdens welke medisch specialisten en assistenten in opleiding onderwezen werden in de operatieve fractuurbehandeling. Het leidde tot te pas en te onpas toepassen van het geleerde na thuiskomst. Bij veel cursisten ontbrak basale kennis o.a. van de metallurgie. Wat betreft de fractuurbehandeling is een ieder nogal ten onrechte overtuigd van zijn eigen kennis. Misschien is de anekdote vermeldenswaard,dat Böhler tijdens zijn “grote visite” door zijn patiënten een “piramide” liet vormen,om de consolidatie aan te tonen. Die piramide stortte natuurlijk ineen door de zwakste schakel!
Na het emeritaat van prof. Verbeek verzorgde Dr. Iwan Hololtcheff de dagelijkse leiding van de afdeling tot aan de verhuizing naar het Binnengasthuis.
Ordinariaat prof. dr. René K. Marti
De benoeming van een opvolger van prof. Verbeek bleek geen eenvoudige opgave. De benoemings-commissie onder voorzitterschap van prof. Brummelkamp, hoofd van de Chirurgische afdeling van het Binnengasthuis, begon in 1971 haar werk. Halverwege 1972 was nog geen van de Nederlandse orthopedisch chirurgen bereid of geschikt bevonden. Ernst Raaymakers, in het laatste jaar van zijn opleiding tot chirurg in het BG, kwam in die periode met zeer enthousiaste verhalen terug van een stage in de destijds toonaangevende kliniek Traumatologie/Orthopedie van het Kantonsspital St. Gallen, die geleid werd door prof. Bernard Weber. Prof. Weber was een vooraanstaand lid van de Arbeitsgemeinschaft für Osteosynthesefragen (AO). Prof. Brummelkamp vroeg zich af of in de kring van de AO een geschikte kandidaat te vinden zou zijn. Behalve prof. Weber werden twee oprichters van de AO, prof. Maurice Müller en prof. Martin Allgöwer, gevraagd of zij een geschikte kandidaat konden noemen. Daar kwamen twee namen uit: dr. Boitzy, die niet geïnteresseerd bleek te zijn en René Marti, Oberassistent in de kliniek in St.Gallen. De gesprekken met hem leidden in de zomer van 1973 tot zijn benoeming tot hoogleraar Orthopedie. Luide protesten van de oudere leden van de NOV (Nederlandse Orthopaedische Vereniging) richtten zich met name op de jeugd van de kandidaat en zijn vermeende gebrekkige scholing in de klassieke Orthopedie. Hij werd als traumatoloog afgeschilderd. De kliniek in St. Gallen telde echter 160 bedden, de helft Traumatologie van het bewegingsapparaat, de andere helft Orthopedie in de volle breedte! Welk Nederlands ziekenhuis kon daaraan tippen? Het protest haalde de gehele pers en was er de oorzaak van dat de Koningin de benoeming van prof. Marti niet bekrachtigde met haar handtekening. Desondanks bracht prof. Marti een beleefdheidsbezoek aan degene, die hij op zou volgen, prof. Verbeek in het Wilhelminagasthuis. Op de lichtkast in zijn kamer hing één röntgenfoto: een gebroken plaat op het femur. De AO-methode werd daarmee afgeserveerd! Intussen had de inmiddels naar Amstelveen verhuisde hoogleraar geen werk en geen inkomen. Prof. Brummelkamp, die zich verantwoordelijk voelde voor deze gang van zaken, bood prof. Marti gastvrijheid aan in de Chirurgische kliniek van het BG: operatiemogelijkheid en polikliniek. Ernst Raaymakers werd aan hem toegevoegd om te tolken en omdat de interesses overeenkwamen. Daarnaast werd een operatiemogelijkheid in het Prinsengrachtziekenhuis gecreëerd. Zo kon prof.Marti zijn skills onderhouden en kwam er brood op de plank. In de klassieke collegezaal van de Chirurgie (amphiteater) werden de eerste refereeravonden gehouden, waarop collegae chirurgen en orthopaeden uit het hele land (post)traumatische casuïstiek presenteerden. Op zo’n bijeenkomst in de herfst van 1974 deelde prof. Brummelkamp plechtig mede dat het de Koningin had behaagd….. Prof. Marti kon toen zijn kliniek in bezit nemen – de verbouwde afdeling 1-10 – en in zijn eigen afdeling aan het werk gaan. Gedurende zijn gehele ordinariaat was Evelien Goekoop als secretaresse zijn hulp en toeverlaat. De assistenten, die in het WG aan hun opleiding begonnen waren – Fons Tonino en Humphrey Yard) -, voltooiden die in het BG. Joost Vegter, Dik de Zwart en Aad Davidson completeerden de eerste groep assistenten in opleiding. Er was voor prof. Marti nog één hobbel te nemen: hij was nog geen 5 jaar orthopaed en mocht volgens de in Nederland geldende regels niet opleiden. Prof. Ludo Koekenberg verklaarde zich bereid om gedurende twee jaren de opleiding waar te nemen. Hij was 2 dagen per week in het Binnengasthuis en heeft met vele voordrachten assistenten en staf bijgeschoold in alle mogelijke orthopedische onderwerpen en zijn opleiderschap meer dan waargemaakt. In de voorgesprekken, die prof. Brummelkamp en prof. Marti gevoerd hadden was al vastgelegd dat de traumatologie van het bewegingsapparaat beurtelings door de afdelingen Chirurgie en Orthopedie zou worden verzorgd. Met zijn benoemding tot hoogleraar was prof. Marti lid van de Zwitserse AO Arbeitsgemenischaft für Osteosynthesefragen) geworden. Een van de verplichtingen, die dat lidmaatschap met zich mee bracht, was het documenteren van de klinische fractuurbehandeling. Met administratieve ondersteuning van Octa Raaymakers-Kimman. Die de nieuwe gevallen verzamelde, en Jos Strik, die de controles organiseerde, werd onder leiding van Ernst Raaymakers een schat aan gegevens en röntgenfoto’s verzameld in de jaren 1974 t/m 2001. Vele auteurs van publicaties en proefschriften hebben daar gebruik van kunnen maken. De AO-documentatie maakte het mogelijk om lange termijnresultaten te achterhalen. De kliniek is bekend geworden door follow-ups van 20 jaar en langer (collumfracturen, collumpseudarthrosen, heuposteotomieën, totale heupprothesen, prothesevervanging, correctieosteotomie van malunited enkelfracturen). Medewerkers hielden daarover voordrachten in binnen- en buitenland. Vooral prof. Marti was een veel gevraagd spreker. Hij was daardoor nogal eens op reis maar wist dan de afdeling in de veilige handen van de chef de clinique. Achtereenvolgens waren dat Joost Vegter (van 1975 tot 1977),Peter Ochsner (van 1978 tot 1981) en Flip Besselaar (van 1981 tot 2002). Stagiaires uit allerlei disciplines (chirurgie, orthopedie, revalidatie, sportarts) vulden de assistentengroep, die 7 personen telde, regelmatig aan. Vermeldenswaard is dat in 1979 de eerste vrouwelijke assistent in opleiding haar intrede deed: Geke Dokter. Flip Besselaar nam de Kinderorthopedie ter hand en Henk Been de wervelkolomchirurgie. Zij brachten beide deelgebieden tot bloei. Arthur Lim stond aan de basis van de arthroscopische chirurgie en werd in 1989 de eerste voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Arthroscopie.
In 1925 waren in de gemeenteraad van Amsterdam reeds de gesprekken geopend over een nieuw te bouwen Academisch Ziekenhuis. Bijna 60 jaar later, in 1981, verhuisde het Binnengasthuis naar het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam-Zuidoost. In 1983 volgde het Wilhelminagasthuis. De vakgebieden, die zowel in het BG als het WG hadden gefunctioneerd (Chirurgie en Interne Geneeskunde), moesten fuseren, hetgeen vooral bij de chirurgen moeizaam en tumultueus verliep.
De afdeling Orthopedie had dat probleem niet. Anders dan voorheen waren alle preklinische en klinische vakgebieden nu onder één dak verenigd, hetgeen de samenwerking op het gebied van de wetenschap bevorderde. Niek van Dijk opgeleid door Rene als orthopedisch chirurg trad in 1985 toe tot de staf en was de coördinator van het onderzoek. Hij zorgde voor de komst van Leendert Blankevoort in 1999 en de oprichting van ORCA (Orthopedisch Research Center Amsterdam). Dit stimuleerde het onderzoek, dat voor een belangrijk deel door basisartsen en studenten verricht werd in de zogenaamde “Kweekvijver”, een grote cubicle op de stafafdeling Orthopedie.
Bij zijn afscheid in 2002 kon prof. Marti terugkijken op een vruchtbaar ordinariaat. Voor zijn verdiensten voor de Orthopedie werd hij benoemd tot erelid van de NOV en koninklijk onderscheiden met de Orde van Ridder in de Nederlandse Leeuw.
Ordinariaat prof. dr. Niek. N. van Dijk
Niek van Dijk studeerde medicijnen in Leiden. Na zijn militaire diensttijd als arts op de afdeling orthopedie van het Militair Ziekenhuis te Utrecht (MHAM) te hebben vervuld was zijn passie voor het vakgebied een feit. Aansluitend werkte hij een jaar bij prof Klopper op de afdeling experimentele chirurgie van het WG en werd door Prof. Brummelkamp geïntroduceerd bij Rene Marti waarna hij zijn opleiding tot orthopedisch chirurg volgde in het AMC met Rene Marti als zijn opleider. Hij promoveerde in 1994 op het proefschrift ”On diagnostic strategies after lateral ankle ligament rupture”. In 2001 werd hij aan de UvA benoemd tot buitengewoon hoogleraar orthopedie, in het bijzonder de Arthroscopische Chirurgie. In 2002 werd hij benoemd tot afdelingshoofd en opleider in het AMC met Gerard Schaap als waarnemend hoofd en –opleider, later opgevolgd door Matthias Schafroth.
Niek van Dijk is een opleider met zowel een duidelijke visie als een brede scope. Gestart met een breed palet, waarin hij als rechterhand van zijn opleider Rene Marti de orthopedische traumatologie doceerde in binnen- en buitenland kwam zijn focus meer en meer te liggen op behandeling van enkel en achtervoet . Hij bracht de arthroscopische enkelchirurgie tot de absolute wereldtop (‘The Amsterdam Approach’). Toch behield hij een brede scope, die zich vertaalde in nationale en internationale samenwerking op diverse vlakken. Hij was actief als voorzitter van de NOV, de NVA, de NOF (Nordic Orthopaedic Federation) waar de NOV zich onder zijn voorzitterschap bij aansloot, de ESSKA (European Society for Sport Traumatology, Knee Surgey & Arthroscopy) en bij ISAKOS (International Society for Arthroscopy, Knee Surgey & Sport Traumatology) waar hij sinds 2016 de founding editor is van The Journal of ISAKOS. Hij hield zich bezig met het ontwikkelen van sport- en onderzoeksnetwerken, was een bevlogen hoogleraar in de collegezaal, maar bovenal een vaardig ambachtsman en geduldig opleider voor zijn assistenten op OK.
Samen met Leendert Blankevoort en met ondersteuning van Marga Lammerts richtte hij in 1999 ORCA op om het onderzoek te organiseren. Uit dit onderzoekscentrum, zijn ondertussen meer dan 50 promovendi voortgekomen. Bovendien zijn er nog zo`n 25 proefschriften die op hun afronding wachten. De “kweekvijver” was ook een dankbare bron van opleidingsassistenten. Natuurlijk moesten alle onderzoekers zich eerst bewijzen in de kliniek: een doctor is niet per definitie een goede dokter. De meeste kweekvijver doctors hadden wel, dankzij Niek van Dijk, een buitenlandse onderzoeksstage op hun palmares. Aan menig AMC proefschrift uit deze periode ligt dan ook een internationale samenwerking ten grondslag. Zijn samenwerking met de Harvard University werd een van de meest productieve. Peter Kloen had na zijn terugkeer uit de Verenigde Staten een brug geslagen, waarover een groot aantal trauma- en upper extremity geïnteresseerde jonge onderzoekers de weg naar David Ring in Boston hebben kunnen vinden. Voor de continue stroom van promovendi uit Boston was ook Job Doornberg en zijn “Holland House” verantwoordelijk. Een aardig detail is dat David Ring, geïnspireerd door de Nederlandse promovendi zelf in 2008 bij van Dijk promoveerde in Amsterdam. Recent maakte hij connectie met Joseph Schwab als hoofd van de Orthopedische Oncologie en involveerde hij staflid Jos Bramer in het programma. Voor de voet- en enkel werd samengewerkt met Chris diGiovanni. Niet alleen Boston heeft een vruchtbare bodem. Op voorspraak van Niek van Dijk reisden vele onderzoekers af naar onder andere Gothenburg (Jon Karlsson), Pittsburgh (Freddy Fu) en Liestal (Beat Hintermann). Met name de connectie met Barcelona bleek vruchtbaar: niet alleen kon Peter de Leeuw bij Pau Golano aan zijn proefschrift werken, vooral Pau’s “Anatomische Lessen” waren van onschatbare waarde voor alle assistenten van het cluster. Niek van Dijk heeft in Barcelona samen met Pau en de staf in totaal 6 maal een driedaagse dissectiecursus georganiseerd, een prachtige traditie waarbij het avond (en nacht)programma minstens zo intensief ingekleurd werd. Een andere traditie die werd ingesteld was het legendarische jaarlijkse staf-assistenten diner bij ‘Kapitein Zeppos’, waarbij afscheid werd genomen van de assistenten die dat jaar hun opleiding hadden afgerond. Het etablissement in het ‘Gebed zonder End’, bevindt zich schuin tegenover het Binnen Gasthuis, de bakermat van de Amsterdamse Orthopedie. Ook nationaal heeft Niek van Dijk een brede scope gehouden. Hij ging een langdurige in intensieve verbintenis aan met de afdeling Werktuigbouwkunde van de Technische Universiteit Delft, met name mogelijk gemaakt door de inzet van Gabriëlle Tuijthof. Tevens stond hij aan de basis van de oprichting van de Academic Center for Evidence-based Sports medicine (ACES); samen met Gino Kerkhoffs, Mario Maas, Simon Goedegebuure, Claire Verheul, Jan de Wolde en Hans Tol werd er een uniek collectief voor kliniek en research in topsport opgebouwd. Een centrum dat in 2016 bekroond werd met de officiële IOC status. Desondanks verloor hij nooit de focus op het eigen werk. Hij is een pionier in de arthroscopische chirurgie, met name van het enkelgewricht. Niek van Dijk heeft “the professor’s toy” van Takagi tot een waardevol instrument doorontwikkeld voor een hele reeks aan indicaties. Zijn ervaring en kennis zijn in 2014 gebundeld in het boek Ankle Arthroscopy, inmiddels een standaardwerk. Het AMC bouwde hij op tot een van de belangrijkste centra voor enkelpathologie met aantrekkingskracht op professionele sporters vanuit de hele wereld. Ten behoeve van de continuïteit werd Gino Kerkhoffs aangesteld, zelf opgeleid en gepromoveerd bij van Dijk en nu mede verantwoordelijk voor de topsportzorg. Gino werd in 2015 benoemd tot hoogleraar orthopedie in het bijzonder de sporttraumatologie.
Als hoofdopleider was Niek van Dijk verantwoordelijk voor het aanbieden van alle facetten die de orthopedie rijk is. Tergooiziekenhuizen Hilversum (en later ook Blaricum) en het Slotervaartziekenhuis waren vanouds de perifere ziekenhuizen. Tijdens zijn opleiderschap werd het Amphia te Breda, met Denise Eygendaal als lokale opleider, het derde perifere ziekenhuis van het cluster. Op zijn voordracht werd Eygendaal in 2016 tot buitengewoon hoogleraar aan de UvA benoemd op de leerstoel “Orthopedie in het bijzonder de elleboog”, Denise Eygendaal is in de geschiedenis van de Nederlandse Orthopedie de eerste vrouw die tot hoogleraar benoemd is.
Er was in het AMC altijd een duidelijk focus op de anamnese en het lichamelijk onderzoek. Harrison’s “luister naar de patiënt, hij vertelt je de diagnose” en “de patient heeft altijd gelijk” zijn uitspraken die Niek van Dijk nauw aan het hart liggen. Hij leerde zijn assistenten te vertrouwen op het lichamelijk onderzoek en het beperken van (onnodig) aanvullend onderzoek. Op de OK en in Barcelona zei hij steevast “Je leert geen operaties, maar je leert opereren!”. Niet alleen eigen assistenten en Fellows werden opgeleid. Ook buitenlandse collega’s krijgen sinds 2000 een “Arthroscopische Les” tijdens de jaarlijkse Amsterdam Foot & Ankle Course . Orthopedisch chirurgen van over de hele wereld komen naar het AMC om van Niek van Dijk het ‘Fingerspitzengefühl’ te leren. In 2010 lanceerde hij de vrij toegankelijke website www.ankleplatform.com welke in korte tijd bijna 3000 leden telde. Hierop zijn alle operatietechnieken als in een leerboek terug te vinden. Maar het is ook een studie en reseach instrument. Orthopeden laden er hun disaster cases op met vraag om advies. In het najaar van 2015 heeft Niek van Dijk het opleiderschap aan Gino Kerkhoffs overgedragen, waarmee een dynamische periode wordt afgesloten en een nieuwe begint. Een opleiding die hij vorm gaf samen met stafleden Jos Bramer en Gerard Schaap (oncologie), Gino Kerkhoffs, Peter Kloen (traumatologie), Matthias Shafroth (prothesiologie), Peter Struijs (kinderorthopedie) en Leendert Blankevoort.